Achtergrond
In 1998 kampte Indonesië met een economische crisis. School begon een luxe te worden, die ouders zich niet meer konden permitteren. Sinds de crisis ging een groeiende groep kinderen niet meer naar school. In 1996 volgde nog 72% van de 40 miljoen Indonesische kinderen tussen 7 en 15 jaar het verplichte 9-jarige programma, maar dit aantal daalde naar 54% in 1998. Ouders konden het schoolgeld niet meer betalen en de kinderen hielpen de ouders met het verdienen van geld. De kinderen die nog wél naar school gingen klaagden dat ze zich niet konden concentreren vanwege honger. De leerkrachten waren bezorgd, aangezien de kinderen de toekomst van Indonesië zouden bepalen.
Niet alleen de leerkrachten waren bezorgd, zo ook een 5-tal studenten van de Universiteit van Jakarta. Zij zagen het aantal straatkinderen dat rondzwierf over hun campus groeien. Voor deze kinderen bouwden zij een huis van bamboe op het campusterrein als opvangplaats. Zij noemden dit het ‘Rumah Bambu Streetkids House’. De directie van de universiteit was hier niet blij mee en doneerde geld zodat een huis van steen kon worden gehuurd. De studenten werkten op vrijwillige basis. In het begin diende het tehuis vooral als plaats om te overnachten. Overdag werkten de kinderen nog op straat om geld te verdienen. Ze verkochten bijvoorbeeld water, maakten muziek of lazen gedichten voor. Wanneer er geld was verdiend konden ze eten, anders niet. Natuurlijk was dit erg gevaarlijk voor de kinderen en tussen 1998 en 2003 zijn er dan ook 6 kinderen overleden op straat die werden opgevangen in het tehuis.
De kinderen zagen al snel dat het veiliger voor hen was om te overnachten in het tehuis. Zo ook bijvoorbeeld Santi, een meisje van 10 jaar oud. Zij kwam op 9-jarige leeftijd op straat te wonen en kon niet meer naar school doordat haar beide ouders overleden na een auto-ongeluk. Na een jaar op straat te hebben geleefd, waarbij ze vrijwel dagelijks te maken kreeg met seksueel misbruik, kwam ze in aanraking met het tehuis.
Het leven op straat was zwaar voor de kinderen, zowel lichamelijk als psychisch. De studenten wilden ook hierin voorzien. Doormiddel van gesprekken met de kinderen en het organiseren van projecten probeerden zij de kinderen te helpen. Zo organiseerden zij bijvoorbeeld kunstprojecten in overleg met de lokale scholen, waarbij de straatkinderen moesten samenwerken met de kinderen die nog wel thuis woonden. De straatkinderen hadden op deze manier minder last van het gevoel dat ze in de steek gelaten waren door de samenleving.
Het tehuis kon in de loop der tijd meer voorzien in de behoeften van de kinderen. Zo konden ze regelmatiger voedsel verstrekken. Dit voedsel was echter nog niet heel erg gezond, dat lukte maar 1 keer in de week. Nog regelmatig waren er weken waarin de kinderen maar 3 tot 4 keer een maaltijd kregen. De ‘Fri Gallery Art Community’, een organisatie van studenten die het tehuis ondersteunden in de vorm van kunsteducatie en gezondheidszorg, organiseerde elke vrijdag een verantwoorde maaltijd voor de kinderen. Deze dag noemden ze ‘Meat Day’. Eenmaal per maand werd deze maaltijd gehouden in een park. Tijdens de maaltijd kregen de kinderen onder andere te horen over de rechten van het kind.
De conditie van het tehuis was in 2002 nog verre van ideaal. Zo sliepen alle kinderen nog gewoon op de grond, simpelweg doordat er geen geld was om matrassen te kopen. Dit was een ongezonde situatie, maar de organisatie was allang blij dat ze een slaapplaats konden bieden aan de kinderen. Daarvoor sliepen de kinderen op straat of in een treinstation.
In 2002 ging het steeds slechter met de economie in Indonesië. Er leek geen hoop te zijn op het realiseren van een stabiele economische situatie door de Indonesische regering. De straatkinderen die in de jaren ervoor nog wel naar school hadden kunnen gaan moesten nu ook stoppen. Sommige vrijwilligers begonnen op regelmatige basis de kinderen zelf te onderwijzen. De kinderen genoten het meest van de lessen geschiedenis, gezondheidszorg en biologie.
2003 was het slechtste jaar voor het tehuis. Donateurs konden niet meer worden gevonden en ze moesten het tehuis verlaten. 3 maanden lang hebben de kinderen in een noodhut gewoond in de jungle vlakbij de campus van de universiteit. Veel vrijwilligers haakten af, maar een aantal hielden moed en gingen door met het onderwijzen van de kinderen. Na 3 maanden was er genoeg geld gevonden om een nieuw huis te kunnen huren.
Na 2003 ging het beter. Er ontstonden samenwerkingsverbanden met 2 andere tehuizen in de omgeving. Doordat er nog steeds weinig donateurs waren hielpen de oudste kinderen dagelijks mee met het verzamelen van genoeg geld voor de maaltijden. Het was erg wisselend hoe mensen in de directe omgeving van de tehuizen reageerden op de straatkinderen. De tehuizen met vooral jonge kinderen, jongens en meisjes, werden geaccepteerd. Een aantal mensen ging zich zelfs inzetten voor deze kinderen als vrijwilliger. Het tehuis met vooral wat oudere jongens had het moeilijker, zij hebben in de jaren erna nog een aantal keren moeten verhuizen doordat ze niet langer geaccepteerd werden. De omgeving zag de jongens als een bedreiging voor de veiligheid.
In 2004 probeerde 1 van de vrijwilligers, Arif, geld te verdienen in Nederland voor het tehuis. In deze periode leerde hij Margriet kennen. De kinderen van de school waar zij werkte begonnen met het inzamelen van geld. Dit is in de loop der jaren steeds verder uitgebreid tot de oprichting van Stichting RumahBambu in 2008, 10 jaar na de oprichting van het eerste tehuis ‘Rumah Bambu Streetkids House’.
De toekomst van de kinderen ziet er met de geboden hulp steeds iets rooskleuriger uit. Zolang het mogelijk is zal Stichting RumahBambu er alles aan doen om het leven van deze kinderen iets makkelijker te maken.
Stichting RumahBambu ondersteunt wees- en straatkinderen in Indonesië.
